Martijn van Koolwijk: Ons land weert daklozen door kwaadaardige architectuur

Al eens gezien, zo’n parkbank als op de foto? Een goed voorbeeld van het aanpassen van een bank in de openbare ruimte zodat er geen dakloze op kan slapen, zegt columnist Martijn.

Ik schrijf deze column tijdens een weekendje weg, in een Keulse tattoostudio. Terwijl mijn vriendin getatoeëerd wordt, moet ik denken aan de stad en wat wij zagen. Niet alleen de enorm maniakale, gotische kathedraal blijft bij, of het feit dat het Frans klinkende eau de cologne door een Italiaan in Keulen is bedacht. Nee, wat bijblijft in Keulen is de kwaadaardige architectuur in Nederland.

Schrik niet, ik heb het niet over de speech van volksmenner en beroepspoepprater T. Baudet en zijn fascistenclubje. Ik heb het over het Instagram-account dutch_hostile_architecture.

Wie in buitenlandse steden rondloopt ziet vaak meer daklozen dan in Nederland. In Keulen hangen ze op bankjes, in ondergrondse stations en op andere plekken in de openbare ruimte. Soms lopen ze langs terrasjes met een kartonnen bekertje om geld te vragen.

Ik weet niet hoe de opvang voor dak- en thuislozen in Keulen is geregeld, maar ik zie er hier aanzienlijk meer in het straatbeeld dan in Nederlandse steden. In Nederland zijn 32.000 geregistreerde daklozen, in Duitsland 650.000. Op een bevolking van 83 miljoen is dat 0,78%. In Nederland, met 17,44 miljoen inwoners, is dat 0,18%. Duitsland telt dus 4,3 keer meer daklozen dan Nederland. Toch grappig dat wij dan als excuus blijven gebruiken dat we de zaken niet te goed mogen regelen voor de onderste laag van onze samenleving, want blah blah blah, aanzuigende werking, blah blah blah.

Maar goed, zwartwit gezegd zou ik voor iedere vier op straat hangende dak- of thuislozen in Duitsland er in Nederland één moeten zien en dat lijkt dus niet het geval te zijn. Oké, overdag zie ik ze, maar wanneer de avond valt kunnen er – ook ondanks het tekort aan plekken – een hoop terecht in de opvang. De mensen zonder plek verdwijnen naar de randen van de stad, het bos of de polder in. We vergapen ons vaak aan de daklozententjes onder bruggen in documentaires over de daklozensituatie in Amerika, maar onze tentenkampen staan in bosjes buiten het zicht. Hier komt dan ook de kwaadaardige Nederlandse architectuur vandaan die perfect bij onze not-in-my-backyard-mentaliteit past. Een probleem dat niet zichtbaar is, kun je negeren. Daarom bestaat er een hele industrie die geld verdient met het ontwerpen van producten die het dak- en thuislozen onmogelijk maakt om in de bebouwde kom op straat te slapen.

Van de poortjes op stations, stoeptegels met uitsteeksels onder bruggen, tot spikes en iets vriendelijker ogende tierelantijntjes die op plantenbakken, muurtjes etc. bevestigd kunnen worden. De bekendste voorbeelden zijn echter de bankjes in openbare ruimtes, die plots armleuningen kregen. Niet zoals je bank thuis, een leuning links en een leuning rechts. Nee, een leuning op een derde van de bank, zodat het ding niet eens per se bedoeld is om er je  arm op te laten rusten, maar om het slapers ongemakkelijk te maken. Ze komen allemaal voorbij op het Instagram-account.

Een ander mooi voorbeeld zijn de metalen stroken die overal tegenaan geschroefd worden om wildplassen te voorkomen. In eerste instantie logisch, ik wil ook geen pislucht voor mijn huis of werkplek, maar kwaadaardig wanneer je bedenkt dat we hierin liever investeren dan in meer openbare toiletten. Het is net als bij de daklozenproblematiek een voorbeeld van regels maken, handhaven en verbieden, in plaats van realistische, duurzame oplossingen te verzinnen. Een mens moet nu eenmaal slapen en plassen.

Zo kan ik nog wel even doorgaan, maar het gezoem van de machine is gestopt. De tattoo is klaar.

Voormalig HAN-student Martijn van Koolwijk werkt in de geestelijke gezondheidszorg. Hij schrijft om de week een column voor SAM. Lees zijn vorige bijdrage hier.

Alle reacties (0)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *